Een Bijbelse kijk op Israël

zondag 22 april 2012

Yom haSjoa

Al zouden de bergen wijken en de heuvels wankelen, mijn liefde zal nooit meer van jou wijken en mijn vredesverbond is onwankelbaar – zegt de HEER, die zich over je ontfermt. (Jesaja 54:10) Afgelopen donderdag was het voor het volk Israël een gedenkdag: Yom haSjoa. Het Hebreeuwse woord sjoa betekent ‘ramp’; Yom haSjoa betekent: ‘Dag van de ramp’. Volgens de officiële cijfers werden door de nazi’s 6 miljoen Joden de dood in gejaagd; in werkelijkheid waren het er nog veel meer, want in de Oekraïne zijn later massagraven gevonden; daar hebben nog eens 1,5 miljoen mensen een vreselijk einde gevonden. De ‘holocaust’ was helaas geen incident. Jodenhaat is van alle tijden. De Farao in de tijd van Mozes gaf bevel alle jongetjes die geboren werden in de Nijl te gooien; Haman in de tijd van Esther wilde het Joodse volk uitroeien… en In elke generatie zijn er die ons willen uitroeien, (zeggen de Joden elk jaar in de liturgie voor Pesach) Maar de Heilige, geprezen is Hij, redt ons van hen allemaal! In het rijtje van hen die het Joodse volk hebben gehaat en met uitroeiing bedreigd, hoort ook nog thuis, op een ‘ereplaats’: de Kerk. In de naam van Jezus heeft zij zich de eeuwen door tegen de Joden gekeerd en honderdduizenden van hen de dood ingejaagd. En zo heeft de Kerk de Naam van Jezus, Redder, gemaakt tot een vloek voor zijn eigen volk! De ideologie van het nationaalsocialisme vond een voedingsbodem in “christelijk” Europa. En nog steeds zijn er een heleboel christenen die menen een grote mond op te kunnen zetten tegen dit volk. Maar als we de geschiedenis van de Kerk kennen, past ons alleen een zwijgen, uit plaatsvervangende schaamte. De eeuwen door heeft de Kerk gezegd, dat de Joden het onheil dat over hen kwam verdiend hadden. Daar zit nog een kern van waarheid in ook!... Maar wie zijn wij, dat wij dat zouden kunnen zeggen??? Laten wij maar even onze mond houden! en horen wat de Schriften van Israël hierover zeggen. De profeet Jesaja werd door God geroepen, om het volk van God het Oordeel aan te zeggen en dat liegt er niet om! Hoofdstukken lang gaat het door. Jeruzalem en de Tempel worden verwoest. De ballingschap komt doordat het volk van God ontrouw is geworden aan God. Maar pas op: zodra de vijanden van Gods volk daar om lachen en juichen, komt het oordeel op hun eigen hoofd neer! God zal Zich opnieuw over zijn volk ontfermen! ‘Troost, troost mijn volk’, begint de tweede helft van het boek Jesaja. Zeg tegen hen, dat de tijd van lijden, van de verdiende straf voorbij is. God zal een ommekeer brengen in het lot van zijn volk. Hij zal Israël bevrijden, Jeruzalem herstellen. In Jesaja 54 gaat het, zoals in veel profetieën, over een vrouw, als beeld voor Jeruzalem, jonkvrouw Sion. En het beeld van het huwelijk wordt gebruikt voor de relatie tussen God en Israël; dan gaat het over de ontrouw van het volk, maar Gods trouw overwint die uiteindelijk. De nood is groot aan het begin van Jesaja 54: De stad ligt verwoest, het land is ontvolkt. Maar in de tweede strofe van Jesaja’s gedicht zijn de schaamte en schande voorbij. De vrouw hoeft niet meer bang te zijn. De verstotene wordt weer aangenomen; zij is niet langer zonder man, want de HEER van de hemelse legers treedt op als haar Losser. Hij schaamt Zich er niet voor Zich aan haar te verbinden. Hij zegt: Ik verborg mijn gezicht voor je in laaiende toorn, één ogenblik lang, maar Ik zal me weer over je ontfermen met eeuwigdurende liefde. In de derde strofe van het gedicht gaat het over de wateren van Noach. Die bedekten de hele aarde. Daarna richt God in Genesis 9 een verbond op met Noach en zijn nageslacht en met alle levende wezens. Nooit meer zullen de wateren van de zondvloed de aarde verderven. Hetzelfde definitieve karakter heeft de eed die God hier aan Israël doet: nooit meer zal Hij hen in zijn toorn verlaten. Zijn liefde zal niet van hen wijken en zijn vredesverbond zal niet wankelen. Dan wordt in de vierde strofe van het gedicht de bouw van de nieuwe stad beschreven. De HEER herbouwt de stad met de mooiste edelstenen. De associatie met het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt, uit het laatste Bijbelboek, ligt voor de hand, maar in eerste instantie gaat het letterlijk over het aardse Jeruzalem. Tegelijk is het een beeld voor het herstelde volk Israël: ‘Al uw zonen zullen leerlingen van de HEER zijn’. En als je één klinker verandert, verandert in het hebreeuws het woord ‘zonen’ in het woord ‘bouwers’. Stad èn volk worden gebouwd volgens de aanwijzingen van de HEER. Zij worden gebouwd door gehoorzaam te zijn aan het Woord van de HEER. En daardoor zal er ‘sjalom’ zijn: een toestand van harmonie, welvaart en welzijn. De HEER beschikt Vrede over zijn volk. … Al zouden de bergen wijken en de heuvels wankelen, mijn liefde zal nooit meer van jou wijken en mijn vredesverbond is onwankelbaar – zegt de HEER, die zich over je ontfermt. … Je zult niets meer te vrezen hebben: onderdrukking zal je niet bereiken, voor terreur blijf je gevrijwaard. Word je toch aangevallen, het komt niet van Mij. Valt iemand je aan? Het wordt zijn eigen val. De ballingschap – Assyrië en Babel – kwam over Israël in de dagen van Jesaja en de andere profeten, als een oordeel van God. De vijanden van Gods volk waren een gesel in Gods hand. Maar geldt dat ook voor de verdrukking door Hellenisten en Romeinen? Door de Kerk van Rome, door de kruisvaarders, de inquisitie in de donkere Middeleeuwen, de pogroms in Oost-Europa in de 19e Eeuw; waar ze op Goede Vrijdag op Jodenjacht gingen, om hun woede te koelen op de Godsmoordenaars? En uiteindelijk de hel van het Derde Rijk? Was dat allemaal ook Gods Oordeel dat over zijn volk kwam? Jaa!!! zei de Kerk; want zij hebben Christus verworpen. Neee!!! zegt God: Word je toch aangevallen, het komt niet van Mij. Valt iemand je aan? Het wordt zijn eigen val. en: elk wapen dat tegen jou wordt gesmeed zal machteloos zijn, en ieder die jou in een geding belastert zal zelf veroordeeld worden. Prachtig hoofdstuk, dat Jesaja 54… Maar waarom is al die rampspoed dan toch nog over het volk Israël gekomen alle eeuwen door? Waarom heeft God het toegelaten? Waar was Hij??? Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?! Jezus was niet de enige die dat riep. Die schreeuw uit Psalm 22, uitgeroepen door Jezus aan het Kruis, is de schreeuw van zijn volk, de eeuwen door! De woorden die klinken uit de keel van de zoon van God, schor geschreeuwd… Aan Jesaja 54 gaat vooraf Jesaja 53, het beroemde hoofdstuk over de knecht van de Heer die plaatsvervangend lijdt. In Jesaja wordt vaak gesproken over de ‘Knecht van de Heer. Over wie gaat dat? Wie is die knecht? De Kerk zegt onmiddellijk: ‘Jezus’. Maar lees even mee: In Jesaja 41 staat: Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zei: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad - vrees niet, want Ik ben met u. In Jesaja 44 staat: Maar nu, hoor, o Jakob, mijn knecht, en Israël, die Ik verkoren heb… Denk hieraan, Jakob; Israël, want gij zijt mijn knecht; Ik heb u geformeerd, gij zijt mijn knecht, Israël; gij wordt door Mij niet vergeten. In Jesaja 48 staat: Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën. Verkondigt het met jubelgeklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: De Heer heeft zijn knecht Jakob verlost. En in Jesaja 49: Gij zijt mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken. Als in al deze teksten uit Jesaja Israël door ‘mijn knecht’ wordt genoemd, wie zou dan Gods knecht zijn in Jesaja 53? De Kerk belijdt Jezus als de ‘eniggeboren Zoon van God’. In Exodus 4 moet Mozes tegen de farao zeggen: “Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon. Ik heb u bevolen mijn zoon te laten gaan om Mij te vereren, maar dat hebt u geweigerd. Daarom zal Ik uw eerstgeboren zoon doden.” Israël is Gods eerstgeboren zoon. Jezus is Gods eniggeboren Zoon. Even logisch nadenken: Als je iemands eniggeboren zoon bent, ben je dan ook zijn eerstgeboren zoon? Ja natuurlijk, dat kan niet anders: iemands ‘eniggeboren’ zoon en iemands ‘eerstgeboren zoon’ zijn dezelfde. De conclusie moet zijn: Jezus = Israël in eigen persoon. Jezus heeft plaatsvervangend geleden en verlossing gebracht; en voor Israël geldt hetzelfde. Het heeft zwaar geleden onder de verdrukking van zijn vijanden; volk van God zijn brengt een groot lijden met zich mee. De boodschap van het Nieuwe Testament is daarmee in overeenstemming. In Romeinen 11:25-36spreekt de apostel over een ‘geheimenis’, een mysterie: Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen. God Zelf heeft daar de hand in, want daardoor, doordat Israël in meerderheid het Evangelie niet aannam, kon het tot de heidenen gaan! Het heil is uit de Joden. Wij, niet-joden, mochten voorop gaan en Israël werd achteruit gezet. Maar: als de volheid van de heidenen is binnengegaan, als het getal bereikt is van het aantal heidenen dat gered wordt, dan zal God Zich weer tot Israël keren; en aldus zal heel Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden… Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk. Israël is ongehoorzaam geworden en ons is genade geschonken; maar ook over hen zal God Zich weer ontfermen! O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Ten diepste zijn alle vormen van Jodenhaat opstand tegen de God van Israël. Omdat alle mensen opstandelingen tegen God zijn, schiet het zaad van het antisemitisme zo gemakkelijk op. Maar er is een geneesmiddel tegen dit kwaad: ieder mens die zich onderwerpt aan de Joodse Messias Jezus en die gehoorzaam is aan het Woord van God wordt genezen van dit kwaad. Door het lezen, het innemen, van het Woord van God slikt men dagelijks een probaat medicijn; en niet alleen tegen antisemitisme maar tegen bijna alle boosheid van deze wereld. Wat is onze taak? De heidenen (de niet-joden) mogen God verheerlijken vanwege zijn trouw die Hij toont in het herstel van zijn volk Israël, en wij daarbij ingelijfd. In Gods trouw aan Israël worden ook de heidenen gezegend. Al Gods verlosten, de heidenen samen met Israël, zullen de lof aan de Eeuwige aanheffen. En daarvan is de gemeente van Christus, die zich erover verwondert dat de God van Israël Zich ontfermt, ook over verloren zondaren uit de heidenen, de voorhoede.